De Dunne Lijn... - Pagina 40

"Eens de karpers op een bepaald water een zekere aassoort als voedsel hebben leren kennen en waarderen, blijft die herkenning ook lang gelden. Met een aassoort waarmee ik ooit op een bepaald water intensief had gevoerd (en gevist - ik voer namelijk niet voor de lol) kon ik jaren later nog terug en ving ik stukken beter dan wanneer ik daar met iets anders ‘instant’ zat te knoeien. Dat heb ik mezelf op twee totaal verschillende wateren tot twee maal toe nadrukkelijk bewezen. En velen hebben, al dan niet bewust (meer niet dan wel), gretig geprofiteerd van de ‘tweede golf’ die er met vismeelboilies op elk water vroeg of laat is gekomen. De ‘insiders’ visten er dan al een paar jaar niet meer mee omdat ze ‘uitgevist’ waren, er kwam een knuppel aandraven met wat gekochte bruine knikkers of wat zelf samen geploeterde trouvit-ballen en die ving zichzelf een dikke nek en zijn medevissers de psychiatrie in. De ouderen onder ons herinneren zich dit soort zaken ongetwijfeld."

..............................................................................................

De Dunne Lijn... - Pagina 72

"Die voorliefde voor warm water is in alle seizoenen evident. Wanneer in het voorjaar (maart, april) de zon een paar dagen na mekaar haar best doet gaat een karper daar steevast van proberen profiteren. Op zijn minst een behoorlijk deel van de populatie komt dan op een diepte tot maximaal een meter liggen (eerder 50 tot 80 cm). Op veel wateren betekent dat dan dat de vissen op half water gaan ‘hangen’, maar als er zich ergens stukken of stroken bevinden van minder dan één meter diepte, dan valt er daar dan gegarandeerd iets te beleven, zeker vanaf halfweg de namiddag.

Dit heb ik talloze malen zelf mogen meemaken. Zo heb ik eens op een parkvijvertje een serie compleet waardeloze wintersessies gedraaid (zo waardeloos zelfs dat ik me begon af te vragen of er met de karpers niks was gebeurd, want ik had er op dat water nog niet één gezien). Echter, begin april ving ik daar, op een paar zonnige namiddagen en vissend op een plateautje van amper 60 cm diepte, pal onder mijn eigen kant, een trits van de meest interessante bewoners - gewoon seriewerk. En als ik er toen beter in geslaagd was om bij het drillen de overige vissen minder te verschrikken, dan waren het er beslist nog meer geweest."

..............................................................................................

De Dunne Lijn... - Pagina 74

"Nergens vind je een betere illustratie voor het belang van zuurstof om vis te activeren en dus aan het azen te zetten dan in de hoogzomer op sommige kanalen en gekanaliseerde rivieren. Zoek een plaats waar het water van zo hoog mogelijk en met zoveel mogelijk geweld van een hoger gelegen naar een lager gelegen stuk tuimelt (naast een sluis bijvoorbeeld) en je kansen stijgen op zijn minst met het tienvoudige. Een gouden tip voor de Frankrijkgangers: het belangrijkste woord in het Franse vocabularium van iemand die het op een rivier voorzien heeft is ‘barrage’. Als je dan het geluk hebt dat het water daar naar beneden dendert en nog het verstand om aan de onderkant van die barrage te gaan zitten, dan kan het niet meer fout. Enne, zet alvast je slip maar wat losser, want ze gaan er in die stroming vandoor als afgeschoten raketten! En zoek bij voorkeur ook maar een stek waar je wat met een gehaakte vis kunt meestappen (of je moest een boot hebben), want je krijgt ze nog nauwelijks tegen de stroom in teruggepompt tot voor je voeten."

..............................................................................................

De Dunne Lijn... - Pagina 95

"Ik weet niet meer precies wanneer, maar alvast een hele tijd nadat ik het stuk 7-8 van het Kempisch had uitgewuifd, zat ik eens rustig alles met betrekking tot dat water op een rijtje te zetten, een soort nabeschouwing te maken eigenlijk. Eén van de vele dingen die me daarbij door het hoofd gingen was de vaststelling, dat de vissen die gevangen werden door vissers die niet bij ons groepje zaten en dus geen deel uitmaakten van de speciale aanpak (wat die inhield lees je nog) al te vaak werden gevangen in wel heel specifieke omstandigheden: hoe langer de spullen onaangeroerd bleven liggen (dat wil dus zeggen: naarmate de boilies langer te water lagen zonder dat er werd bijgevoerd of zonder dat het aas werd ververst), des te groter de kans op een run werd. (Nu moet je weten dat er daar mensen zaten, voor wie de tijd gewoon stilstond; de tussenpozen tussen het verversen of zelfs herwerpen duurden vaak langer dan mijn complete sessies; 24 uur kwam vaak voor en 36 uur was zelfs geen uitzondering.) Dat kon maar op twee manieren te verklaren zijn: ofwel hadden bepaalde karpers de gewoonte ontwikkeld om regelmatig langs te ‘lopen’ om de boel te inspecteren en gingen ze maar azen wanneer hun vertrouwen in de situatie was gegroeid. Ofwel, en dat leek me het meest logische, hadden de vissen veel minder schrik van oude, uitgewassen en opgezwollen boilies. Na tien jaar, waarbij ze alle kans hadden gehad om het onderscheid te leren maken tussen verse, exotisch smakende boilies enerzijds, en oud, bijna tot pap geweekt spul (maar nog net zo goed interessant en makkelijk voedsel!) anderzijds, leek het niet zo fictief om ervan uit te gaan dat dit de clue was. Ik had geen rust meer, ik moest mezelf zo nodig weer van iets gaan overtuigen.

Een paar dagen later stond ik na een rit van 135 km opnieuw aan het meest ophefmakende stuk water dat België ooit heeft gehad. Omdat het een midweekse dag was en ik mezelf de ellende van de scheepvaart wou besparen, die misschien zelfs de zaken zou vervormen, had ik besloten ‘s nachts te vissen. Ook had ik voor mezelf uitgemaakt dat ze maar één nacht zouden krijgen om mij iets te bewijzen. Ik had op de zaken nog wat doorgedacht en besloot gewoon ergens te gaan zitten en twee hengels een meter of 70 uit mekaar in de vaargeul te gooien; ik ging er namelijk van uit dat de meeste oude boilies op zo’n smal stuk kanaal door de scheepvaart in het midden terechtkwamen en de vissen ze daar dus ook waarschijnlijk met de minste remmingen zouden nemen.

Ik ving die nacht vier vissen; één van de oude krijgers, die ik een paar jaar eerder ook had gehad, en drie jonge, maar dus ongetwijfeld al sluwe, want nog puntgave exemplaren tussen pakweg 15 en 20 pond, nam een fotootje of twee van die ouderling en toog tevreden huiswaarts, as you would."

..............................................................................................

De Dunne Lijn... - Pagina 161

"Het afklemmen van de onderlijn met de lippen. Daar lijkt het inderdaad soms wel een klein beetje op, maar meer dan dat is het ook niet. Het is werkelijk schrijnend om te zien (YouTube!) hoe vaak onze onderlijn gestrekt op de bodem ligt (door visactiviteit in de directe omgeving, of door een teruggespuwde aasopname). Dan is bij liggend aas een (nieuwe of hernieuwde) aasopname in veruit de meeste gevallen gedoemd tot mislukken. Nu is het mijn beurt om even diep adem te halen, want mijn vaardigheden om iets uitgelegd te krijgen worden weer danig op de proef gesteld. Omdat de vissen bij het azen met hun bek zo dicht tegen de bodem aan zitten kan een aasje dat aan een gestrekte onderlijn vastzit in geen enkele richting van waaruit wordt gezogen behoorlijk in de bek naar binnen gaan (straks komt een kleine nuance); in ieder geval niet zo diep naar binnen als een karper dat overduidelijk (hun reactie!) verwacht. En dit gebeurt net zo goed bij soepel materiaal als bij een stiff rig, want gestrekt is gestrekt en met de bek zo dicht tegen de bodem is de bewegingsvrijheid van zo’n aasje dan héél erg beperkt. Het moet namelijk altijd bij de lip ‘de hoek om’ en het kan meestal maar een centimeter of twee die hoek om!"

..............................................................................................

De Dunne Lijn... - Pagina 205

"Het andere uiterste is:
Lange tijd met één en hetzelfde aas voeren en dat doen op een manier waarbij je zo veel mogelijk karpers weet te bereiken, zodat de ‘pilootvissen’ de tijd krijgen om hun werk te doen, zodat het aantal vissen dat van je aas eet zich exponentieel vermenigvuldigt, zodat de meest gretige karpers niet de kans hebben om alles weg te vreten, zodat er bij een wel heel hoog percentage van de populatie voldoende vertrouwen ontstaat om in de meeste situaties zonder remmingen te azen en dus weer gierende runs te produceren, zodat je vrijwel overal kunt gaan zitten, badend in het zelfvertrouwen, ingegeven door het besef dat elke karper die in die buurt een vin verroert een potentiële kandidaat voor je net is, zodat je zelfs, wanneer je het goed aanpakt, de karpers maar tot op zekere hoogte moet weten te lokaliseren (op een paar meter of zelfs een paar tientallen meter komt het dan niet meer aan, zo nauw steekt het dan niet meer). Onmogelijk zegt u? Wilt u uzelf nu een dienst bewijzen en toch verder lezen, a.u.b.?"

..............................................................................................

De Dunne Lijn... - Pagina 227

"Op langgerekte wateren met een relatief geringe bezetting zou ik nooit een lange periode op dezelfde stek doorgaan met voeren. Daar zie ik dus echt het nut niet van in. Na het vangen van een enkele honkvaste ‘buurtbewoner’ (in het beste geval) wordt het daar dan beslist een enorm wispelturige aangelegenheid omdat je volkomen afhankelijk bent van het toeval, van wat zich op het moment dat je aan het vissen bent al dan niet in de buurt bevindt. Je kunt er de vissen gewoon niet op conditioneren om regelmatig langs te komen, want de dag nadat ze van je voer hebben gegeten zitten ze misschien al kilometers verder en komen ze dagen- of wekenlang niet meer in de buurt van je stek. Dit soort vissen kan dan ook nooit achterhalen dat er, één of twee dagen nadat ze je plek compleet kaal hebben gegeten, en zijn doorgezwommen omdat er niks meer te rapen viel, dat er precies daar dan weer (volop) te eten valt."

..............................................................................................

De Dunne Lijn... - Pagina 229

"Voerstrategie. Het loont echt de moeite om daar wat mee te experimenteren. Zeker als je regelmatig vist lopen de resultaten op zo’n stek (door het vangen) dus snel en sterk terug. Na een paar sessies krijg je dan gegarandeerd al de eerste tekenen van stekdressuur: je vangt geen series meer. Ook al komen de vissen onder impuls van je voercampagne in groep naar je stek, je vangt er al te vaak maar één van. En dan is het weer een hele poos wachten tot ze terugkeren (in sommige gevallen 24 uur). Het gaat dan merkelijk beter als je een compromis maakt en een vaste stek meer ‘open’ aanpakt. Erg verspreid voeren en vissen dus, dat zorgt ervoor dat de vissen rustiger en langer in de buurt rondhangen en mekaar bij een run niet per definitie de stuipen op het lijf jagen en daardoor allemaal wegvluchten. Maar dat komt straks allemaal nog eens in een apart stuk ter sprake."

..............................................................................................

De Dunne Lijn... - Pagina 245

"Veel aspecten van het vissen verlopen in golfbewegingen; daarmee bedoel ik dat de geschiedenis zich vroeg of laat herhaalt, dat de dingen terugkomen. Dat heb ik in het wedstrijdvissen ook duidelijk genoeg ervaren. En ik kan me niet van de indruk ontdoen dat en aantal particles, die zich vroeger van hun héél productieve kant hebben laten kennen, momenteel (2009) wat in de vergeethoek zijn geraakt. Natuurlijk voel je me weer al komen … Als je een poos op een reeks plaatsen met een bepaalde (sinds jaren verwaarloosde) particle kleine hoeveelheden gaat voeren (aanvankelijk zonder ermee te vissen!) dan zal je dat aas gegarandeerd weer laten opleven. Regelmatig eens een paar kilo voeren door telkens een halfgevulde spod op een groot aantal plaatsen te gooien lijkt me daarbij een goed idee. Het moeilijkste aspect hiervan zal echter zijn om dat voor de andere vissers verborgen te houden!"

 

..............................................................................................

spreads
 
contact alijn index contact fragmenten alijn index